Wat doen wij?
De Flora- en faunawet maakt onderscheid tussen enerzijds jacht en wildbeheer en anderzijds schadebestrijding. Zes diersoorten zijn aangemerkt als wild waarop gejaagd mag worden. Dat zijn haas, fazant, wilde eend, konijn, houtduif en patrijs. De jacht op de patrijs is gesloten omdat deze op de rode lijst is geplaatst. Alle zes diersoorten komen voor in het werkgebied van WBE Hoeksche Waard.
Buiten de officiële jachtperiodes mogen de wildsoorten alleen worden verjaagd en gedood ter voorkoming en bestrijding van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, bedrijfsmatige visserij en wateren. Ook niet-wildsoorten mogen alleen gevangen en/of worden gedood als dit nodig is voor doelgericht beheer en doelmatige schadebestrijding. In het laatste geval vindt in de Hoeksche Waard plaatselijk en onder voorwaarden (eerst voorkomen en verjagen, dan pas bestrijden/afgifte van ontheffingen) afschot plaats van ganzen, knobbelzwanen, smienten, meerkoeten en zwarte kraaien. Om schade te voorkomen en dieren te verjagen plaatsen de leden van de WBE knalapparaten, vlaggen en linten, vogelverschrikkers en afrasteringen. En hoewel het aantal reeën in de Hoeksche Waard (nog) niet groot is, worden ook wildspiegels geplaatst. Niet in de laatste plaats om te voorkomen dat er ernstige verkeersongelukken plaatsvinden.
De wildrijkdom, de infrastructuur en het dunbevolkte platteland van de Hoeksche Waard oefenen een grote aantrekkingskracht uit op lieden die het niet zo nauw nemen met de wet. Zij komen van elders met hun 4WD’s, lange honden en schijnwerpers om ’s nachts de velden af te stropen. Omdat de leden van de WBE bij voortduring aanwezig zijn in hun veld hebben ze al veel leed weten te voorkomen. Bovendien bestaat er een goede samenwerking met de vereniging Veldtoezicht die ook ’s nachts patrouilleert in de Hoeksche Waard.
Onbekend maakt onbemind, zegt een Nederlandse zegswijze. Dat blijkt vaak als tijdens een jacht de jagers soms op onheuse wijze worden aangesproken of uitgemaakt voor alles wat lelijk is. Terwijl zij toch strikt volgens de Nederlandse wet en de weidelijkheidsregels te werk gaan en hun gezonde verstand (van het veld en het wild) volgen. Dat men het niet eens is met de jachtbeoefening is ieders goed recht. Elke hobby kent z’n voor- en tegenstanders. Maar er zijn andere wegen om je afkeuring kenbaar te maken of om te proberen de situatie te veranderen. Het mag wel eens gezegd worden dat het merendeel van de jagers een compliment verdiend voor geduld en zelfbeheersing. Bovendien zijn ze – en dus ook de leden van WBE Hoeksche Waard - graag bereid om hun activiteiten toe te lichten. Soms tijdens de jacht. Soms na afloop bij iemand thuis. Of voor een groep belangstellenden. Of voor een school. Zo heeft WBE Hoeksche Waard ook regelmatig de kritische schrijvende pers en radio en tv op bezoek gehad om opnamen te maken en toelichting te geven.
Los van de jacht op de zes wildsoorten leveren de leden van WBE Hoeksche Waard een belangrijk aandeel in de schadevoorkoming en -bestrijding hier ter plekke. Het werkgebied van WBE Hoeksche Waard is een vruchtbaar gebied dat gewaardeerde, hoogwaardige landbouwgewassen voortbrengt. Samen met de andere akkerbouwgebieden maakt dat Zuid-Holland tot het luilekkerland voor met name wilde ganzen. Een aanzienlijk deel hiervan gaat daarom in het voorjaar niet terug naar het hoge noorden maar blijft, eet, slaapt, poept en broedt hier. Het gaat jaarlijks om 95.000 tot 110.000 ganzen, waarvan de Hoeksche Waard er ca. 10.000 telt. Omdat er in de omliggende natuurgebieden onvoldoende voedsel is voor zoveel exemplaren, richten zij zich met graagte op de kant en klare hapjes op het land van de boer. De overzomerende ganzensoorten in het werkgebied van de Hoeksche Waard zijn de grauwe gans, Canadese gans, brandgans en kolgans. Daarnaast zijn er nog, als standvogels, de soepganzen en de exotische nijlgans. De schade aan de landbouw door overwinterende ganzen wordt onder de Flora- en faunawet vergoed door de overheid via het Faunafonds. Maar om hiervoor in aanmerking te komen moeten boer en jager eerst aantonen dat ze tot dan toe voldoende maatregelen hebben genomen zoals het plaatsen van vogelverschrikkers, vlaggen, knalapparaten, het spannen van draden, het schudden of dompelen van eieren en – na toestemming van de overheid – het verjagen en afschieten.
Het gekke is dat de schade door de duizenden overzomerende ganzen wordt niet vergoed! Die is voor rekening van boer en tuinder. Die schade bestaat uit o.a. vraatschade, krabschade, pikschade en bevuilingsschade, alsmede verslemping (= dichttrappen/slibben) van de bodem. Ook laten ze een enorme hoeveelheid ongewenste mest achter.
De Flora- en faunawet zegt: ‘Grondgebruikers zijn zelf verantwoordelijk voor het nemen van schadevoorkomende en –beperkende maatregelen bij schade en dreigende schade door dieren. Het voorkomen en beperken van schade aan bedrijfsmatige landbouw door wildsoorten is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de grondgebruiker en de jachthouder. Bij schade in het gesloten seizoen dient de jachthouder een ontheffing voor afschot aan te vragen. Overleg met grondgebruikers en aangrenzende jachthouders is een vereiste.’ Een discutabele uitspraak, aangezien de overheid de dieren i.c. de ganzen met het wetboek in de watten mag leggen, maar niet de (financiële) gevolgen van haar maatregelen wenst te dragen. Dus trekken bijna dagelijks bij toerbeurt de onbezoldigde jagers in alle vroegte het veld in om de schade beperkt te houden.
Wildschade komt door alle seizoenen heen in elke groeistadium van alle gewassen voor. Veroorzakers zijn:
* in graan: ree, konijn, wilde eend, smient, zwaan, meerkoet, waterhoen, fazant, houtduif, verwilderde duif, holenduif, zwarte kraai, roek, kauw, huismus, spreeuw, meeuw, ganzen.
* in aardappelen: meerkoet, fazant, roek, ganzen.
* in suikerbieten: ree, haas, konijn, fazant, muskusrat, veldmuis, bosmuis, ganzen.
* in maïs: wilde eend, fazant, houtduif, verwilderde duif, zwarte kraai, ekster, kauw, roek, konijn, meeuw, ganzen.
* in peulvruchten: houtduif, verwilderde duif, holenduif, Turkse tortel, zwarte kraai, roek, kauw, meeuw, fazant, wilde eend, haas, konijn, ganzen.
* in grasland: smient, meerkoet, zwaan, waterhoen, meeuw, konijn, mol, veldmuis, muskusrat, ganzen.
* in graszaad/graszoden: houtduif, verwilderde duif, smient, wilde eend, meerkoet, zwaan, mol, veldmuis, ganzen.
* in vollegronds teelten: wilde eend, houtduif, haas, konijn, meerkoet, fazant, holenduif, smient, ree, kraaiachtigen, ganzen.
* in appels en peren: ree, haas, konijn, spreeuw, zwarte kraai, ekster, vlaamse gaai, roek, kauw, huismus, lijsterachtigen, mezen.
* in kersen/morellen: spreeuw, lijsterachtigen, kraaiachtigen.
* in pruimen: houtduif, huismus.
* in bramen/frambozen: spreeuw, lijsterachtigen, ree, konijn.
* in aardbeien: spreeuw, lijsterachtigen, houtduif, ree, konijn.
* in bloemen/zaden/bollen: ree, wilde eend, haas, konijn, fazant, patrijs, zwarte kraai, ekster, kauw, vlaamse gaai, roek, huismus, spreeuw, vinkachtigen.
* in griend/riet/biezen: spreeuw, konijn, meeuw, zwaan, meerkoet, ganzen.
* in kuilvoer/silage/pakken/rollen: zwarte kraai, roek, kauw, meeuw, ekster, wilde eend.
* hondsdolheid/ vossenlintworm/ predatie van bodembroeders (kievit, grutto, scholekster, patrijs enz.): vos
Zo heeft alles z’n keerzijde. Het siert sommige natuurbeschermingsorganisaties dat ook zij deze keerzijde erkennen van natuurbescherming in Nederland en daarin hun verantwoordelijkheid hebben genomen. Zeker, de natuur gaat bij hen nog steeds voor, maar de natuur kent geen duurzame harmonie in de menselijke betekenis van het woord, slechts ‘korte momenten van evenwicht’. En hoe dichter mens (lees: cultuur) en natuur bij elkaar zijn (en waar is dat niet het geval in Nederland?), hoe sneller en ingrijpender de verstoring. Op zulke momenten moet je dus ook de gevolgen aanvaarden van je ingrijpen. En dat is niet altijd even leuk voor iedereen.
Het leveren van gegevens aan de WBE Databank van afschotcijfers en telgegevens (zie ook Faunazaken).
De WBE is in principe geen jachthouder. Mocht er jachtveld verhuurd worden aan de WBE dan draagt die er zorg voor dat dit wordt doorverhuurd aan het lid van de WBE in wiens jachtveld het perceel ligt of aan het lid die het laatst huurder is geweest van het perceel mits het dan aansluit bij zijn huidig jachtveld.